DE KINDEREN VAN Johann Gottlieb Kiesewetter

Uit zijn eerste huwelijk met Cornelia Maria Heck() zijn geboren:

  1. Jacoba Barbera (Tante Koos), geboren 18 febr. 1807, overleden 14 jan. 1867. ()

Op 30 jan. 1833 trouwde zij met Christiaan Lustenouwer() (Oom Chris), maar zij was op haar trouwdag al weduwe van Christoffel Rinck() en was toen winkelierster.

De bruidegom was een zoon van Bernardus Lustenouwer en Hillegonda Hansen en was al weduwnaar van Antoinetta Adriana Le Cocq. Hij was geboren op 12 juni 1803 en was timmerman, later behanger. Hij overleed in de vijftiger jaren.

Oudoom Cornelis vertelt van hen in zijn "In Memoriam":

"Bij oom en tante Lustenhouwer werden door ons, als wij in Amsterdam kwamen, steeds bezoeken afgelegd. Zij hadden vier kinderen, die ik nooit anders heb horen noemen dan Nardus (enige zoon) en drie dochters, wier voornamen ik niet weet op te geven; zij waren ons bekend onder de voornamen Door, Da en Marjanne. Ik meen me te herinneren, dat nicht Door nmaal, en nicht Da een paar maal bij ons thuis in Den Helder enige tijd hebben doorgebracht. Oom Chris heb ik persoonlijk slechts een enkele maal gezien; hij is gestorven toen ik nog zeer jong was (in de vijftiger jaren).
Tante Koos heeft na het overlijden van oom Chris met behulp van haar dochters Da en Marjanne een zaak in manufacturen, garen en band geopend in de Goudsbloemstraat te Amsterdam. Zij is in een der eerste maanden van 1869 (m.z. 14 jan. 1867) gestorven. Zeer kort na haar overlijden is haar jongste dochter, nicht Marjanne, door mijn moeder als hulp in ons huisgezin opgenomen. Na verloop van ongeveer 1 jaar is onze nicht weer naar Amsterdam vertrokken en sedert die tijd hebben wij zo goed als geen berichten meer betreffende haar en haar zusters ontvangen. Ik geloof, dat haar broer Nardus toen reeds niet meer in leven was, in ieder geval zijn ons omtrent hem generlei berichten ter ore gekomen.

  1. Hendrika (tante Heintje), geboren op 12 aug. 1808 en overleden op 1 april 1872. ()

Zij trouwde op 21 jan. 1829 met Cornelis Crabbendam () (loodgieter, later brandstoffenhandelaar), geboren op 24 nov. 1807 als zoon van Cornelis Crabbendam (overleden) en Fenna Aikes Brinkman (zij, was toen pandjeshuishoudster).

Oudoom Cornelis vertelt van dit gezin in zijn "In Memoriam": "Mijn tante Heintje woonde tijdens mijn kinderjaren in Amsterdam in de Noorderstraat bij de Prinsengracht; zij was gehuwd met Cornelis Crabbendam, die een zaak in brandstoffen dreef en wiens voornaam ook aan mij is gegeven.
Met mijn oom en tante Crabbendam hebben wij steeds een hartelijke omgang onderhouden. Mijn oom is evenwel reeds overleden voordat ik de leeftijd van 12 jaren bereikte. Uit hetgeen zal volgen blijkt, dat verschillende omstandigheden hebben meegewerkt, dat die omgang, ook na het overlijden van mijn oom, met mijn tante is blijven voortduren. Het scheen zelfs of de familieband tussen mijn tante Heintje en mijn ouders nog inniger is geworden.
De kinderen van oom en tante Crabbendam kwamen dikwijls bij ons thuis logeren, terwijl wij wederkerig meermalen de gasten van onze tante waren. Nog enige jaren na het overlijden van oom Crabbendam heeft mijn tante de zaak in brandstoffen met behulp van haar jongste zoon voortgezet,  doch nadat deze zoon is overleden, heeft zij de zaak aan haar oudste zoon overgedaan. Zij is toen naar Den Helder verhuisd, alwaar zij enige jaren op de Laan heeft gewoond. Zij heeft zich echter later weder metterwoon in Amsterdam gevestigd en is daar ook overleden.
Oom en tante Crabbendam hadden zes kinderen: drie zoons, Johan Gotlieb, Pieter en Cornelis en drie dochters: Cornelia Maria, Hendrika en nog een dochter (De naam van de derde is niet bekend; ik heb haar niet in leven gekend. Zij is gehuwd geweest met makelaar IJesseling, destijds wonende op het Amstelveld. Zij hadden geen kinderen).
De oudste zoon van oom en tante Crabbendam, Johan Gotlieb () (kortweg Jan genoemd) is nog tijdens het leven van zijn ouders een handel in brandstoffen begonnen, eveneens in de Noorderstraat en heeft later, zoals hierboven is medegedeeld, ook de zaak van zijn moeder overgenomen. Hij had verscheidene kinderen. Ik weet het aantal niet, doch hij had er minstens vijf. Zijn oudste zoon Cornelis is na zijn schooljaren werkzaam geweest op een belastingkantoor in Amsterdam, later aangesteld bij het Departement van Financin en vervolgens tot Rijksontvanger benoemd. Als zodanig is hij ook geplaatst geweest in IJsselstein. Ik heb het genoegen gehad hem daar een paar malen te bezoeken, terwijl hij ook meermalen te onzen huize aan de Westerkade te Utrecht bezoeken heeft afgelegd. Hij is later naar Lobith overgeplaatst.
Een andere zoon van Jan Crabbendam is zijn vader na diens overlijden opgevolgd in de brandstoffenhandel in de Noorderstraat, welke naar ik meen aldaar nog (d.i. in 1919) bestaat. Een derde zoon heeft zich in het timmervak begeven en zich later in Amsterdam gevestigd als makelaar in vaste goederen.
Twee dochters van mijn neef Jan Crabbendam, die ik ook nog wel in Den Helder heb ontmoet ten huize van Giel Baas, die met mijn nicht Cornelia Maria Crabbendam is getrouwd, hebben zich naar Den Haag begeven en daar in de Prins Hendrikstraat en vervolgens in de Koningstraat een zaak geopend in dames- en kinderartikelen.
De tweede zoon van oom en tante Crabbendam, Pieter (), heb ik slechts oppervlakkig gekend en niet zeer dikwijls ontmoet. Hij was gehuwd met een dochter van een goudsmid uit de Weteringstraat te Amsterdam, doch ik weet mij niet te herinneren, welk beroep hij zelf uitoefende en ook niet wat met hem en zijn familie is voorgevallen.
De jongste zoon van oom en tante Crabbendam, Cornelis (), heeft als volontair bij het Instructie-battaillon in Kampen dienst genomen. Na zijn aanstelling tot korporaal is hem Den Helder als garnizoen aangewezen. Na het overlijden van zijn vader is hij van de militaire dienst vrijgekocht om zijn moeder in de brandstoffenhandel behulpzaam te zijn. Tengevolge van een ongelukkige val heeft hij niet lang daarna het leven verloren.
De oudste dochter van oom en tante Crabbendam, Cornelia Maria () (kortweg Keetje genoemd) is, zoals reeds vermeld, na het overlijden van haar moeder gehuwd met Giel Baas. Zoals bekend zijn beiden reeds jaren geleden gestorven, een dochter Hendrika nalatende.
De jongste dochter van oom en tante Crabbendam, Hendrika () (die evenals haar moeder Heintje werd genoemd) is reeds, vrdat mijn tante zich metterwoon in Den Helder had gevestigd, gehuwd met Pieter Bruyn, destijds werkzaam op de Marinewerf in Willemsoord. Zij zijn in 1873 met hun kinderen naar Amerika vertrokken en hebben o.a. gewoond in de stad Holland (staat Michigan), alwaar ik hen tijdens mijn verblijf in Amerika een bezoek heb gebracht. Beiden zijn reeds jaren geleden overleden, doch als ik mij niet vergis zijn nog kinderen van hen in leven, omtrent wie wij evenwel niets meer mochten vernemen".

Dat was dan het uitgebreide en dus nogal ingewikkelde verhaal van oudoom Cornelis over de tweede dochter van stamvader Johann Gottlieb.

We gaan nu direct over naar de in feite belangrijkste eerste zoon van Johann Gottlieb (dus zijn derde kind), die als enige in de rechte mannelijke lijn onze familie voor uitsterven heeft kunnen behoeden,n.l.

  1. Johan Bernard Kiesewetter ()
  2. geboren op 24 sept. 1810 en overleden op 13 jan. 1869 in Den Helder.

Als slager huwde hij op 7 maart 1838 met Lena Cornelia Spaan () (geboren 15 maart 1807, overleden 10 sept. 1877). Zij was weduwe van Jacob Liban (of Libau), slager in Amsterdam in de Kleine Kattenburgerstraat.

Op onze tweede stamvader in Nederland kom ik later meer uitgebreid terug. We maken eerst het resterende overzicht af van de overige kinderen van Johann Gottlieb, n.l.

  1. Johannes Martinus ()(geboren 15 dec. 1812 27 dec. 1813 overleden)
  2. Cornelia Maria () (geboren 15 aug. 1814 -15 aug. 1814 overleden )
  3. Cornelia Maria () (geboren 27 juni 1815 -2 dec. 1815 overleden )

Achter elkaar zijn dus 3 kinderen als zuigeling of kleuter overleden,

  1. Gerrit (), geboren 20 febr. 1817 en overleden op 18 juli 1869.

Op 3 aug. 1842 is hij getrouwd met Cornelia Sijberde () en op 3 dec. 1842 werd een levenloos geboren zoon Gerrit () aangegeven. Verder geen nakomelingen.

Oudoom Cornelis schrijft in "In Memoriam": "Mijn oom Gerrit heb ik nooit gezien. Al wat ik van hem weet is, dat hij jaren lang wegens krankzinnigheid is verpleegd in het gesticht Meerenberg bij Haarlem, alwaar hij vermoedelijk ook is overleden .

 

  1. Johannes Martinus (), geboren 31 okt. 1818, overleden n 1869.

Hij was op 7 nov. 1849 gehuwd met Maria Sombroek () (tante Mie) Hun kinderen waren:

Oudoom Cornelis vertelt van dit gezin: "Beter dan oom Gerrit heb ik mijn oom Maarten gekend. Meermalen heb ik hem en zijn vrouw, tante Mie in mijn jongere jaren bezocht. Oom Maarten woonde in de Noorderstraat bij de Prinsengracht in Amsterdam in een kelderwoning en is, voorzover ik weet, althans in zijn laatste levensjaren, werkzaam geweest in de zaak in brandstoffen, welke door zijn zwager Crabbendam werd gedreven en later door diens weduwe (tante Heintje) is voortgezet.
Oom Maarten had slechts n kind in leven, n.l. een dochter (zie hier boven: Cornelia Maria), die gehuwd is met een Amsterdammer, wiens naam mij is ontgaan (was dus Hendrik ter Haar) en die ik trouwens slechts nmaal vr zijn huwelijk met mijn nicht heb ontmoet.
In latere jaren zijn de bezoeken bij oom Maarten tot de zeldzaamheden gaan behoren. In Den Helder kwam hij nooit; bij de begrafenis van mijn vader in 1869 is hij echter tegenwoordig geweest."

  1. Jam Frederik (), geboren 6 dec. 1819 -overleden 17 febr. 1821.

Zoals reeds is vermeld, is een week na zijn geboorte zijn moeder overleden.

We komen nu aan de 8 kinderen uit het tweede huwelijk van onze stamvader Johann Gottlieb, n.l. met de zuster van zijn eerste vrouw, Maria Magdalena Heck.

"In Memoriam" noemt van de kinderen uit dit tweede huwelijk slechts de roepnamen van 4 dochters (tante Ant, tante Door tante Kee en tante Na ) Hun Juiste voornamen heeft hij niet gekend. Tante Ant heeft hij nooit gezien, de drie anderen waren gehuwd, maar hun echtgenoten heeft hij evenwel nooit ontmoet en van twee zelfs ook hun namen niet gekend. De gegevens van de 8 kinderen waren:

  1. Cornelia Maria (), geboren 16 sept. 1820 en overleden op 15 nov. 1890, als weduwe van Martinus Peterse Fendruk. Verder geen gegevens bekend.
  2. Frans (), geboren 23 dec. 1822 en overleden 31 jan. 1823.
  3. Maria Magdalena (), geboren 27 febr. 1824 -overleden 26 juni 1888.

Zij was op 30 juni 1856 gehuwd met Hendrik Garste () (spoorwegwachter), zoon van Theodorus Jacobus Garste en Jacoba Pas. Hij was geboren in 1829 in Haarlem en weduwnaar van Johanna de Man.

Getuige bij het huwelijk was o.a. Frans Heck, sluiswachter, oom van de bruid.

  1. Frans (), geboren 25 april 1826 en op 22 jarige leeftijd, n.l. op 2 juli 1848 als sjouwer werkzaam in Woerden en aldaar overleden (ongeval?). Hij was ongehuwd.
  2. JohannA Hendrika ()(tante Na), geboren 24 mei 1828 overlijdensdatum voor 1890 niet in Amsterdam gevonden.

Zij trouwde op 21 mei 1856 met Pieter Pferzig () (ook wel geschreven als Pferziek of Pfersigh), geboren in 1828 en overleden in 1866.

Oudoom Cornelis vertelt van hen: "Tante Na heb ik beter gekend. Haar man heette Pferzig en hij is in 1866 tijdens een cholera-epidemie aan die ziekte overleden. Het is een tragisch sterfgeval geweest; des morgens gezond en wel van huis gaande is hij daar niet levend wedergekeerd: onderweg is hij door de ziekte aangetast en bezweken.
Gedurende de laatste jaren dreef hij een handel in manufacturen, welke zaak na zijn overlijden door tante Na is voortgezet. In de eerste tijd van mijn verblijf in Utrecht heb ik haar een paar malen bezocht. Zij woonde toen in een kelder aan de Nieuwmarkt, hoek Barndersteeg in Amsterdam. Ik veronderstel, dat de zaak in manufacturen later door n van haar kinderen, een zoon, is overgenomen en overgebracht is in de woning boven die kelder. Want ik heb, op zekere dag in Amsterdam zijnde en de Nieuwmarkt overgaande, de naam Pferzig in het bovenlicht van de deur dier woning zien prijken. Daar mijn tante toen wellicht reeds was
overleden, heb ik mij -wat mij daarna wel speet -niet vergewist of die onderstelling juist was. De algehele onbekendheid met haar zoon, die ik vroeger nooit had ontmoet, heeft mij daarvan evenwel teruggehouden. Ik geloof niet dat bedoelde zaak thans (1919) nog bestaat.

  1. Dorothea Elisabetta () (tante Door), geboren 15 nov. 1830 -overlijdensdatum niet gevonden.

Zij was op 2 mei 1860 gehuwd met Gerrit Assenbroek (), goudsmid, geboren in 1833 als zoon van Nicolaas Assenbroek en Jacoba Catharina ??? (beiden overleden). Getuigen bij hun huwelijk waren Pieter Pfersick en Hendrik Garste (zwagers van de bruid).

  1. Johanna Hendrika (), geboren 21 sept. 1833 en overleden 22 dec. 1837.
  2. Anna Catharina() (tante Ant), geboren 6 juli 1836 en overleden 30 okt. 1868.

Zij was bij haar huwelijk naaister, trouwde op 23 april 1856 met Jacob Evert Molleman (), timmerman, geboren in l836.als zoon van Adrianus Molleman, melkboer, en Neeltje Hoegee (overleden). Bij het overlijden van haar man was tante Ant winkelierster.

Alvorens het verhaal van de kinderen van onze stamvader Johann Gottlieb af te sluiten, nog even een ontboezeming van Oudoom Cornelis in zijn "In Memoriam": "Het weinige, dat ik met betrekking tot de dochters uit het tweede huwelijk van mijn grootvader van vaderszijde heb kunnen mededelen, zou aanleiding kunnen geven tot de gevolgtrekking, dat bij ons zekere voorkeur -of zo men het noemen wil voorliefde- heeft bestaan ten opzichte van de familieleden uit het eerste huwelijk van mijn grootvader en men zou allicht de vraag kunnen stellen of er redenen voor een dergelijke voorliefde aanwezig zijn geweest. Het wil mij voorkomen, dat die gevolgtrekking niet geheel onjuist zou zijn, maar een afdoend antwoord op evenbedoelde vraag ben ik niet in staat te geven. Naar de natuurlijke gang van zaken is er evenwel een verklaring te vinden. Hoewel bij mijn weten van oneenigheid tussen de kinderen uit het eerste en uit het tweede huwelijk van mijn grootvader nimmer sprake is geweest, heeft zich in onze familie blijkbaar hetzelfde verschijnsel geopenbaard, dat zich ook in vele andere families voordoet, dat de band tussen kinderen uit een eerste en een tweede huwelijk niet z hecht en sterk schijnt te wezen als tussen kinderen,uit n en hetzelfde huwelijk het geval is.
Voorts dient in aanmerking te worden genomen, dat in verband met de verandering van woonplaats van mijn ouders -die tussen de jaren 1840 en 1845 van Amsterdam naar Den Helder zijn verhuisd -de omgang met de in Amsterdam blijvende familieleden wel is waar niet is verbroken, doch voor een groot gedeelte verstoord werd, om de eenvoudige reden, dat een reis van Den Helder naar Amsterdam in die dagen heel wat meer tijd vorderde dan thans en alles behalve een plezierreis kon worden genoemd. Immers in de eerste jaren na de komst van mijn ouders in Den Helder kon men vandaar Amsterdam slechts bereiken door de sedert lang verdwenen, maar toen nog in tloge ere gehouden "trekschuit", die voor zo'n overtocht, met inbegrip van het oponthoud op de tussengelegen pleisterplaatsen, waar geladen en gelost moest worden, in de regel niet minder dan zestien uren nodig had. Want als men des morgens te vijf of zes uur -of zelfs nog vroeger -,dus bijna voor dag en dauw van Den Helder vertrok, kwam men zelden vr acht tien uur des avonds in Amsterdam aan (in omgekeerde richting is het meermalen voorgekomen, dat de trekschuit in Den Helder des avonds eerst te elf uur haar intocht deed). Zo'n reis werd dan ook alleen in de hoogste noodzakelijkheid en met zeer grote tussenpozen ondernomen.
Ik weet mij echter zeer goed te herinneren, dat mijn moeder nu en dan een dergelijke reis maakte en somwijlen n van mijn broers en ook wel mij medenam. Ik meen zelfs dat ik het genoegen heb gehad tweemaal de reis naar Amsterdam met bovenomschreven scheepsgelegenheid te mogen maken.
Onder die omstandigheden laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat,wanneer wij in Amsterdam kwamen, voornamelijk de familieleden uit het eerste huwelijk van mijn grootvader werden bezocht en dat daaraan is toe te schrijven, dat wij met het wedervaren van de familieleden uit het tweede huwelijk minder goed op de hoogte waren.
Nog valt op te merken, dat mijn vader, zolang ik hem heb gekend, in zeer ongunstige gezondheidstoestand verkeerde en nimmer op reis kon gaan en dat, hoewel inmiddels een betere gelegenheid was ontstaan om Amsterdam te bereiken -aanvankelijk alleen per stoomboot en in 1865 ook per spoor -de lust tot reizen bij mijn moeder was afgenomen. Ik weet niet waaraan dit moet worden toegeschreven, doch geloof niet dat zulks is veroorzaakt, omdat mijn moeder -zoals bij ouderwetse mensen meer het geval was -een onoverwinnelijke afkeer zou hebben gehad van de nieuwerwetse middelen van vervoer, want ik weet nog heel goed, dat ik ook eenmaal met mijn moeder per stoomboot naar Amsterdam heb gereisd, daags na de zoveel jaren daarna nog bij ouden van dagen in herinnering voortlevende pinksterstorm van het jaar 1861. Het was de laatste maal, dat ik met mijn moeder een reis heb gemaakt.